Donderdag 23 juli 2026.
Chelsea Hotel Toronto.
International Hemingway Conference.
Het is tien voor twee en zaal Seymour van het Chelsea Hotel in Toronto loopt stilaan vol. Ik zie bekende gezichten verschijnen, ook van gerenommeerde literatuurprofessoren. Kirk Curnutt, Michael Von Cannon, Carl Eby, Sandra Spanier… Ze zijn er allemaal.
Ik zit vooraan, aan een lage tafel waar een kraakwit tafellaken over gedrapeerd is. Naast me zitten Alex Vernon en Michael Thurston te praten. Nog twee grote namen, die in dezelfde sessie als ik zijn ingedeeld. De lat ligt hoog.

Mijn hart klopt in mijn keel. In gedachten herhaal ik de eerste woorden, de eerste zinnen. Voor me op de tafel ligt mijn paper, een Moleskine-notitieboekje, mijn bruine, kunstleren schrijfmap en Alex Vernons boek dat ik straks wil laten signeren.
Ik kijk naar links. Mijn laptop staat klaar op het spreekgestoelte, de eerste slide van mijn presentatie is zichtbaar op het projectiescherm. Ik laat mijn ogen door de ruimte glijden, over de witte muren met de kroonlijst van krullend stucwerk, het blauwe patroon in het kamerbreed tapijt dat doet denken aan in elkaar lopende vingerafdrukken, de rijen grijsmetalen stoelen met de afgeronde leuning die steeds meer ingevuld geraken, en denk aan een moment van lang geleden.
Dertig jaar eerder stond ik met mijn vader in de openbare bibliotheek. Ik was een jaar of twaalf en had de meeste jeugdliteratuur uit mijn tijd al verslonden. Ik zocht iets uitdagenders. Daarom stelde ik de vraag aan mijn vader, of hij iets volwasseners kende dat ik kon lezen? Hij nam me mee naar het rek met de letter H. “Hemingway,” zei hij. Eén naam, die vanaf de eerste regels, de eerste zinnen, mijn leven zou veranderen. Eén naam, die me vandaag tot hier had gebracht.
“Vergeet niet te genieten,” stuurde mijn beste vriend me twee uur geleden. Het is zijn verjaardag vandaag, wat de gelegenheid nog specialer maakt.
Ik adem diep in, voel de cadans in mijn aderen vertragen. De woorden van Bill Gorton in The Sun Also Rises, hoewel omrand met ironie,schieten me te binnen: “Never be daunted.”
Zo moet een hoogspringer zich voelen, vlak voor de aanloop, bedenk ik. Of een voetballer, vlak voor het eerste fluitsignaal van een grote finale. Ik ben voorbereid, goed voorbereid zelfs. Ik ben er klaar voor.
Moderator Marcos Norris, professor aan Oregon State University, neemt het woord. Hij kondigt me aan, legt uit wie ik ben – “a former journalist and currently working as a language and literature teacher in Belgium” – en welk onderzoek ik momenteel aan het voeren ben.
Ik neem plaats achter het spreekgestoelte. Mijn hart gaat tekeer. Ik sla mijn ogen op, kijk naar de rijen toehoorders, en adem in.
Hier ga ik.
***
Het applaus ebt weg. Marcos Norris komt naar me toe. “Well done. Great job,” fluistert hij met een brede glimlach, voor hij verder gaat en Michael Thurston aankondigt. Geboeid luister ik naar Michaels lezing, dan naar die van Alex. Hun humor geeft de presentaties nog extra cachet.
Na de afsluitende vragenronde geven Alex en Michael me een hand. “That was wonderful. I really loved your presentation. Excellent paper.” Michael raadt me zelfs aan mijn paper op te sturen naar The Hemingway Review.
In de hal, bij de liften enkele uren later schudt Michael Von Cannon mijn hand. “Hi Jeroen, congratulations. That was a great presentation. Wat een geweldig onderwerp ook, de hechtingstheorie toegepast op Hemingway. Eigenlijk zat alles juist: het onderwerp, de snelheid waarop je sprak, je toon, het geluid. En het straffe is, het raakte me zelfs op een persoonlijk niveau. Ik begon me al af te vragen: am I an avoidant? (lacht)”


