Deze week zat ik drie dagen aan het televisiescherm gekluisterd. De Tour de France trok door de Alpen en dat stemde me weemoedig. De Galibier, de Col de la Croix-de-Fer, L’Alpe d’Huez: het zijn namen als van oude makkers. Ze vormden het landschap van mijn jeugd.
Zomer na zomer trokken we met de auto naar Frankrijk, meestal naar de bergen. Met zijn drieën vulden we de achterbank, mijn zussen en ik. Mijn oudste zus vertelde verhaaltjes om de tijd te doden, de andere sliep, het hoofd op de koelbox die tussen ons in geprangd stond.
Vertrekken deden we altijd in het midden van de nacht. Zo waren we de files rond Parijs en Grenoble voor. Nog geen tien kilometer verder vroeg ik al of we er bijna waren. Maar ik genoot immens toen we de grens over waren en ons op onverlichte wegen een weg baanden door de duisternis, landkaart op schoot, vol spanning uitkijkend naar wat we op onze bestemming zouden aantreffen.

Ontdekkingsreiziger
Ik voelde me een ontdekkingsreiziger, leefde van de verwondering en de fantasie, nog onbezoedeld als ik was door de wijsheid en de voorzichtigheid van de volwassene. Ik klom op rotsen, liep voorop op onverharde paden, liet mijn handen verkleumen in ijskoud beekwater. Ik zette me schrap tegen de wind boven op een col. Ik ontdekte wat een téléphérique is en hoe het voelt om vanuit zo’n cabine de duizelingwekkende diepte onder je steeds groter te zien worden. Ik liep met mijn vader boven op een gletsjer. Hij nam mijn kleine hand in de zijne, om me te behoeden voor een val op het gladde ijs.
Ik leerde dat, hoe mooi de bergen ook zijn, het weer er verraderlijk kan zijn. De kleine Sint-Bernhardpas is naar verluidt enig mooi, maar die dag ontstond er plots erwtensoep rondom ons. Op een nacht zaten we met het hele gezin te kijken naar de bliksemschichten op de kam aan de overkant van de vallei in Saint-Gervais. De donder deed de ramen daveren in hun sponningen.
Ik leerde relativeren, dankzij de huisbaas in Saint-Gervais. “Bof bof, et hopla“, zei hij constant, en voegde er nog een handgebaar aan toe alsof hij de zorgen achter zich gooide. Nog altijd kan ik niet naar een roze avondlucht kijken zonder aan hem te denken. Le rose du soir, demain l’espoir…
Bloedbroeders

Wanneer de Citroën van mijn vader zich een weg naar boven slalomde, was ik een racepiloot. Later was ik een cowboy, geweer in de aanslag, klaar om de indianen te verslaan. Ik liep hellingen op en af en speelde de Tour na, samen met een Franse jongen in Auris-en-Oisans. Een haast woordeloze vriendschap ontvouwde zich. We voetbalden, knikkerden, namen het samen op tegen een Duitse pestkop. Nu ik dit schrijf en naar de foto van ons kijk, armen over elkaars schouders als bloedbroeders, vraag ik me af wat er van die kleine jongen met de wat trieste glimlach geworden is.
Vijf jaar geleden keerde ik voor het eerst naar de streek terug. De winter liep stilaan op zijn einde, maar het massief lag nog onder een dik pak sneeuw. Ik stond op de noordelijke kam ergens boven Les Deux Alpes, en speurde de helling aan de overkant af, op zoek naar een handvol huizen die een gehuchtje van Auris moesten vormen. Zonder succes.
De halfopen tunnel op de Galibier is er nog, zag ik op televisie. De wind bij het kruis boven op de Croix-de-Fer waait als vanouds. De eeuwige sneeuw op de rotskammen is al een stuk weggesmolten en de winkel in de bocht van Saint-Gervais waar ik een pluchen husky kreeg, is vast verdwenen, net als de husky zelf.
Wat overblijft zijn de herinneringen, en een paar tientallen foto’s. Misschien is dat net wat liefde is: beseffen dat je niet terug kunt keren naar wat geweest is, maar dankbaar zijn voor alle bergen die je doorheen de jaren hebt meegekregen. Dat, en het pad waar ze je naartoe hebben geleid.

