Soms moet je je even terugtrekken om jezelf terug te vinden. Soms gebeurt dat, onverwachts, op plekken waar je de wereldgeschiedenis aanraakt.
‘Let jij op de spullen?’
Ik keek haar na, in haar groene bikini met tropische plantmotieven, tot ze niet meer dan een stip was, een stip tussen de andere stippen. Ik ging languit liggen, met de windrichting mee. Onder me voelde ik het linnen strandlaken dat we ooit in een dorpje buiten Valencia hadden gekocht. De wind woei zand in mijn haar en langs me heen, maar het maakte niet uit. Mijn huid gloeide genoeglijk in de namiddagzon. Ik strekte me uit, de handen onder het hoofd, en keek op. Hoog boven me leek een wolk, rafelig als een witte veer, stil te hangen in het azuurblauw. Om me heen weerklonken hoge, opgewonden kinderstemmen, af en toe onderbroken door commentaar van ouders. Een bal werd met doffe tikken heen en weer gepasst. Meeuwen krijsten, soms hoog en ver, soms dichtbij. Niemand anders leek de schoonheid van de wolk op te merken, alsof ze er alleen voor mij hing. Het verbaasde me hoe weinig er soms nodig is om perfect gelukkig te zijn.
Het was de eerste keer deze zomer dat we aan zee geraakten. Enkele weken eerder waren we van plan geweest een dagje naar de baai van San Sebastián te trekken, maar de ondoorgrondelijkheid van het openbaar transport in het Baskenland had daar een stokje voor gestoken. Sindsdien voelde het alsof er iets onafgewerkt was gebleven.

Ze plofte naast me neer, haar haren en wangen wild en nat, glanzend als koper in het zonlicht. Ze glimlachte. “De zee is ruw”, zei ze, terwijl ze een handdoek pakte en zich begon af te drogen. “Het is koud als je uit het water komt, maar in de zee is het lekker warm. Jouw beurt.”
Ik baande me een weg tussen de zandkastelen, kinderen met emmertjes en schepjes, en brutale meeuwen die onverstoord, tussen de badgasten door, over het strand waggelden. In een geul, uitgesleten door de getijden, stonden twee bruingespikkelde meeuwen, pootjebadend als oude dametjes in het lage water. De zon, nog hoog aan de zuidwestelijke hemel, glinsterde oogverblindend in de natte ribbels in het zand en de plassen die de terugtrekkende zee had achtergelaten. De mensen waren niet meer dan kleine, zwarte schaduwen tegen een oneindig diepblauwe hemel. In de verte doemden de havenkranen en cirkelvormige opslagtanks van Duinkerke op als blauwige silhouetten.
De gedachte voelde als een openbaring, alsof ik een diepere waarheid had aangeraakt, of omgekeerd, alsof iets mijn diepste kern aanraakte,
alsof ik plots weer deel uitmaakte van iets groters.
De zee was inderdaad ruw. Witte schuimkoppen richtten zich hoog op, stortten met een klap neer, rolden sissend uit over het zand. Terwijl ik de golven in dook en het zout op mijn lippen proefde, zag ik plots een jongeman in een film hetzelfde doen. “I read somewhere”, hoorde ik hem zeggen, “that the sea’s only gifts are harsh blows, and occasionally, the chance to feel strong.” De gedachte voelde als een openbaring, alsof ik een diepere waarheid had aangeraakt, of omgekeerd, alsof iets mijn diepste kern aanraakte, alsof ik plots weer deel uitmaakte van iets groters, alsof alle fysieke grenzen wegvielen tussen mij, de film en die magische woorden van Primo Levi. Ik zette me schrap tegen de golven, voelde de kracht van het water, liet me overspoelen. Het was als een spel, instinctief en onschuldig, met een oeroude kracht, die leven geeft, maar ook in staat is het te ontnemen.
“Je bent lang weggeweest”, zei ze. “Het heeft je deugd gedaan, precies.”
“Ja, echt wel. Ik had er nood aan, geloof ik.”
“Zullen we straks iets gaan eten? Ik begin alweer honger te krijgen.”
Het strand was al half verlaten toen we bij het rechthoekige monument met het standbeeld van Leopold I het zand van onze voeten veegden en onze schoenen aantrokken.
Belle époque
We slenterden over de zeedijk. De wind hoopte het zand op over de beige kleitegels. Het was druk op de dijk, maar niet overdreven. Niet zoals in andere, veel grotere badsteden aan de Belgische kust. Telkens als ik daar was, verbaasde ik me over de afstompende saaiheid, de mensenmassa’s, het middelmatige eten en de schier eindeloze rijen grijze flatgebouwen van tien of meer hoog. Op zulke plekken klauwde de onrust zich altijd in me vast. Maar hier waren de flatgebouwen lager. Her en der, tussen twee appartementsblokken geprangd, kon je zelfs een huis uit de belle époque, in cottagestijl, terugvinden, als kleine zussen die opkijken naar hun grote broers. Wellicht waren het de enige overgebleven getuigen van de bombardementen in 1940.
“Samen met De Haan vind ik dit nog de beste plek aan onze kust.”
“Geef mij dan toch maar De Haan”, zei ze.
“De Haan is natuurlijk nog veel gemoedelijker en veel authentieker. Maar toch, ik ben blij dat hier nog zulke huizen staan.”
De zon stond al laag toen we besloten via het strand terug te keren naar de auto. We wandelden langs de groen-wit geverfde houten strandcabines, die deden denken aan een ver Victoriaans verleden. Het stemde me melancholisch. In de gouden avondzon leek de zee plots groener. Aan de einder zette een enkele zeilboot koers richting Engeland.
“Het valt hard op: je ziet hier geen schepen,” zei ik.
“Inderdaad. In Oostende is dat wel anders.”
Ik bleef staan, zette een hand tegen mijn voorhoofd om beter tegen de zon in te kunnen kijken. Ik draaide mijn hoofd, richting de haven van Duinkerke. In vogelvlucht niet meer dan 15 kilometer, schatte ik. Het was moeilijk voor te stellen dat dit kleine, lege stuk zee in het voorjaar van 1940 bedekt was met meer dan 900 vaartuigen, van alle mogelijke groottes en pluimages. Torpedobootjagers, slagkruisers, koopvaardijschepen, plezierboten, jachten, vissersloepen: allemaal werden ze tussen 26 mei en 4 juni 1940 ingezet om de zowat 400.000 soldaten die vastzaten langs de Frans-Belgische kust, naar Engeland te ontzetten.
Na de inval in België en Frankrijk, overrompelden de Duitsers de geallieerde troepen compleet. Ze hadden betere wapens, betere tanks en vliegtuigen én beter getrainde soldaten. In minder dan twee weken tijd waren de Duitsers opgerukt tot Gent, Oudenaarde en Arras in Frankrijk. De geallieerden zaten in de tang. Vooral de Britse legerleiding besefte al gauw dat terugtrekken richting de haven van Duinkerke de enige mogelijke optie was. Het Belgische leger hield bij Oostende de Duitsers nog enkele dagen af, maar moest zich op 28 mei toch gewonnen geven. De restanten van het Eerste Franse Leger deden hetzelfde nabij Lille, tot ze op 31 mei, door een gebrek aan voedsel en munitie, toch genoodzaakt waren zich over te geven. Hun volharding en zelfopoffering gaf de rest van de geallieerde troepen echter voldoende tijd om zich terug te trekken tot achter de verdedigingslinies die de Fransen hadden opgezet in een breed gebied rond Duinkerke, De Panne en Oostduinkerke. De drassige grond rond de perimeter vormde een ideale barrière tegen de Duitse tanks.
Zwartgeblakerde karkassen
Ik stelde me voor hoe de terugtrekkende troepen ondertussen vast kwamen te zitten in de eindeloze stroom vluchtelingen op de wegen naar de kust. Duizenden mensen trokken te voet, of met paard en kar, naar het zuiden, hun gezicht vertrokken van angst, een onzekere toekomst tegemoet. De soldaten konden niet veel anders dan toekijken en zelf hun weg vervolgen, langs bermen vol zwartgeblakerde karkassen van tanks, trucks en artillerie die de troepen vóór hen hadden moeten achterlaten en onklaar maken. De wegen lagen bezaaid met rottende lijken, van soldaten, burgers, paarden, vee. Geregeld verscheen er een Duits jachtvliegtuig aan de einder dat nog meer vernieling zaaide.
Ondertussen draaide Operatie Dynamo op volle toeren. De leiding van de Britse Navy werkte koortsachtig door om voldoende vaartuigen op te eisen of de eigenaars te overtuigen deel te nemen aan de evacuatie. De kleinere vaartuigen zouden vooral ingezet worden om troepen vanaf het strand naar de wachtende marine- en koopvaardijschepen te transporteren.
Ook toen de uitgeputte manschappen eindelijk de stranden van Noord-Frankrijk en België hadden bereikt, was hun ellende nog niet voorbij. De haven en huizen van Duinkerke waren gebombardeerd, de watertoevoer naar de stad vernield. De brandhaarden woedden dagenlang omdat ze niet geblust konden worden.
In gedachten zag ik een rij belle-époquehuizen. Een bom sloeg in, zette de woningen in lichterlaaie. Daarna nog één, en nog één.
Bidden in het zand
Ik draaide me om, naar de zwijgende rij flatgebouwen, oranjegoud in het avondlicht, de terrassen waar obers nog steeds af en aan liepen. In gedachten zag ik een rij belle-époquehuizen. Een bom sloeg in, zette de woningen in lichterlaaie. Daarna nog één, en nog één. Ook De Panne en Sint-Idesbald kregen het hard te verduren, aangezien de evacuatie deels vanaf hun stranden verliep.
Ik verbeeldde me hoe een divisie, tussen de brandende huizen, langs de groen-witte strandcabines, het strand op schuifelde, nerveus om zich heen kijkend, knipperend met de ogen. Misschien gingen ze uitgeput liggen, in groepjes bij elkaar. Misschien deelden ze zwijgend sigaretten met elkaar. Na een tijdje gaven de officieren hen het bevel om zich in lange rijen op te stellen en te wachten tot het hun beurt was om geëvacueerd te worden.
Vier dagen lang brachten ze in het zand door, zonder eten, zonder water, zonder plek om te schuilen. De hele dag door voerden Stuka’s duikbombardementen uit, hun gierende geluid de voorbode van mitrailleurvuur, of erger, bommen. Vanuit het binnenland werden ze ook nog eens bestookt met zware kanonnen. Bij elke aanval konden ze niets anders doen dan in het zand duiken en bidden dat ze in de juiste rij lagen, de rij die niet getroffen werd. Overal woedde brand, overal lagen soldaten die aan stukken waren gereten. Op zee sloegen bommen in op de schepen, die doormidden braken en langzaam onder het wateroppervlak verdwenen.

“Scared sick looking at it,” fluisterde ik onwillekeurig, een oude quote indachtig, terwijl ik de rust van de af en aan rollende golven, gelijkmatig als een ademhaling, in me opnam.
Ik verbeeldde me de rijen militaire voertuigen die hier en wat verderop, bij Bray-Dunes, op het strand waren geplaatst, met vlonders bovenop, als provisorische pieren, zodat kleinere schepen verder van de kust konden blijven en de soldaten niet door het water hoefden te waden.
Bloed en olie
De kleine boten pendelden voortdurend tussen de kust en de schepen. De hevige branding liet de vaartuigen echter geregeld omslaan. Soms waren de bootjes te zwaar beladen, waardoor ze kapseisden of zonken. Duitse U-boten vuurden torpedo’s af op de grotere schepen, Stuka’s doken gierend op de vaartuigen af. Overal dreven dode of stervende soldaten. Zij die nog leefden, vochten tegen de golven, het bloed en de olie die uit de gebombardeerde schepen stroomde. Kapiteins van andere vaartuigen konden geen hulp bieden, ze moesten doorgaan om de manschappen bij hen aan boord niet extra in gevaar te brengen.
Ondanks de verliezen, was Operatie Dynamo een succes. Van de ruim 400.000 geallieerde soldaten die op de Noord-Franse en Belgische stranden verzameld waren, slaagde Operatie Dynamo erin zo’n 338.000 te ontzetten richting Engeland. Vanop het strand van De Panne werden meer dan 20.000 Britse soldaten geëvacueerd. Onder de honderden privévaartuigen die aan de operatie deelnamen, waren ook een vijftigtal vissersboten uit Heist, Zeebrugge, Oostende en Nieuwpoort. Ook zes schepen van de Belgische marine werden ingezet. In totaal brachten de Belgische vaartuigen zo’n 10.000 manschappen over.

De zon verdween achter de strook parelmoeren wolken die zich boven de horizon had gevormd. Ik keek de zeilboot na tot ik hem niet meer kon ontwaren. Ik besefte hoe waar Primo Levi’s woorden, als jood zelf een slachtoffer van de Nazi’s, gebleken waren voor de honderdduizenden mannen die hier op de stranden waren verzameld. Hun beproeving, hun donkerste uur, bleek hun redding. Niet alleen voor henzelf, maar voor heel Europa. Ze gingen door de hel en kwamen er sterker uit. Niet meteen, maar wel naderhand, eens ze tranen van opluchting hadden gehuild, het zand van hun uniform hadden geklopt, het bloed en de olie van zich af hadden gewassen. Van uitgeputte verliezers werden ze plots helden. Het gaf hen de kracht om de strijd te blijven aangaan.
Stel dat Operatie Dynamo was mislukt, hoe anders zou de wereld er dan hebben uitgezien? Zou ik hier even ongestoord hebben kunnen staan, op dit strand? Zou ik enkele uren geleden in alle vrijheid de kracht van de golven hebben kunnen ervaren? Zou ik überhaupt die ene film hebben kunnen zien, of zelfs nog maar weten wie Primo Levi was?
Ik merkte dat ik een kruisteken maakte, zoals wanneer ik een militair kerkhof bezoek. Nog een laatste keer keek ik in de richting van de zeilboot. Toen liep ik verder het strand af. De haven van Duinkerke was nog steeds zichtbaar, als blauwige silhouetten aan de einder.
